IMPEREALE OTTOMANE PRUIM

Afbeelding  18a en b,   18c en d. 

AFKOMST: onbekend; wij ontvingen de soort uit Duitschland.VORM: volgens het Handbuch meer rond dan onze vruchten , die aan de afgebeelde gelijk zijn, met een vrij vlakken naad en kleine stempelpunt, die zich in het midden van eene kleine, vlakke holte verheft.GROOTTE: van de derde.STEEL: 0.02-0.03, meestal dunner dan de afgebeelde, zelden gebogen, zeer weinig behaard, meer glad, groen met bruin, in eene bijna vlakke, matig wijde, fraai afgeronde holte.HUID: dik, taai, zuur, gemakkelijk van het vlees te scheiden, fraai geel, bijna goudgeel, zelfs in de schaduw, met kleine, witgroene stipjes, aan den boom met een dun, witblauw waas.VLEES: doorschijnend, bijna goudgeel, week, smeltend, saprijk, rinsch zoet, weinig of niet geurig, bij ons niet zeer aangenaam, op zandgronden veel beter.STEEN: niet groot, vrij dik, meestal niet loslatend.GEBRUIK: 20 Augustus tot 10 of 15 September; – van den tweeden of derden rang voor het dessert, misschien beter voor huishoudelijk gebruik; eene goede marktvrucht, die niet licht van den boom valt.De BOOM groeit sterk, wordt groot, vormt een hoog opgaande kroon en draagt zeer mild. De twijgen zijn lang, stevig, recht, violetbruin, kaal, somtijds glanzig; de knoppen kegelvormig, vlak geplaatst, op tamelijk verhevene dragers; de scheuten sterk, kaal; de bladstelen 0.01, met kleine klieren, meestal slechts twee in getal; de bladeren middelmatig, breed ovaal, scherp getand, stomp, van onderen een weinig wollig.Voor den hoogstam vorm in boomgaarden geschikt, in warme zomers en op drogere grond dan de onze misschien van meer waarde. In Engeland en Amerika is de vrucht vroeger rijp en wordt zij als dessertpruim opgegeven.
%d bloggers liken dit: